Dag meneer de Koekepeer

Onlangs raakte ik op een forum op LinkedIn verzeild in een discussie over de juiste aanhef in brieven en mails. Hoewel we dergelijke formules bijna allemaal dagelijks gebruiken, waren de meningen verdeeld. Het ei – of beter: de aanhef van Columbus hebben we dus niet gevonden. Eén ding was wel duidelijk: steeds meer schrijvers grijpen naar spreektaal.

Achten volgens het boekje

De aanhef volgens het boekje is voor een zakelijke brief nog steeds Geachte mevrouw en/of Geachte heer, eventueel gevolgd door de familienaam van de aangeschreven persoon.

Veel schrijvers vinden die geachte mevrouwen en geachte heren nogal stijf klinken. Persoonlijk gebruik ik die aanhef ook alleen nog maar in officiële correspondentie en in brieven waarvan ik de bestemmeling van haar noch pluim ken.

Ken ik u ergens van?

Maar wat is dan een goed alternatief? Veel schrijvers grijpen naar Beste mevrouw en Beste meneer, al dan niet gevolgd door de familienaam. Dat deed ik vroeger ook wel eens, maar het wrong toch altijd. Beste is in principe bestemd voor personen die u kent, en wordt dan gevolgd door de voornaam. Beste valt in een zakelijke context bij veel bestemmelingen dan ook niet in goede aarde. Zij vinden het te familiair.

Ze zei meneer tegen me

Bovendien laten ook niet alle heren zich probleemloos ‘meneren’. Een van de leden van het discussieforum vond meneer kindertaal. Een aanhef met meneer roept bij hem de bedenking op: ‘Weer zo’n jong ding dat niet weet hoe het hoort.’ De man kreeg echter veel tegenwind. Zelf vond ik zijn reactie ook wat overdreven.

Meneer kindertaal? Dat had ik nog nooit gehoord. Spreektaal, dat wel ja. Maar ik schrijf ook steeds minder brieven en steeds meer mails. En in die laatste geef ik de voorkeur verzorgde spreektaal. Geachte heer vind ik in zo’n context vaak ontzettend afstandelijk. Al zal ik in de toekomst toch twee keer nadenken over de gemiddelde leeftijd van de lezer als ik een volwassen publiek aanschrijf.

In de discussie viel het ook op dat de talrijke tegenstanders van heer ook allemaal consequent meneer schreven. ‘Als het dan toch meneer moet zijn, schrijf dan tenminste mijnheer’, probeerde iemand uit het herenkamp nog, maar dat vond het menerenkamp helemaal niet meer kunnen. Persoonlijk grijp ik spontaan ook naar meneer. Mijnheer klinkt me toch wat oubollig, omdat je het nooit letterlijk zegt. Het doet ook denken aan Mijne heren. En hoe vaak gebruikt iemand die aanspreking nog in alle ernst?

Daar staat u met uw beste (bedoelingen)

Moeten we voor alle veiligheid dan toch maar volgens het boekje iedereen met achting aanschrijven? Nee, zoals altijd denkt u vooraf beter even na over het publiek voor wie u schrijft. Hoe goed kent u uw publiek en wat weet u over zijn verwachtingen?

Schrijf wat u zegt

Voor mails is er een eenvoudige oplossing die ik als liefhebber van verzorgde spreektaal voor teksten in heel wat situaties perfect vind passen: Dag meneer en Dag mevrouw. Het is een beleefde en tegelijk courante aanspreking en probleemloos te combineren met u verderop in uw tekst. En mocht u nog twijfelen of Dag toch niet te gewoontjes klinkt: wat zegt u als u uw geachte lezer opbelt of ontmoet? Juist. Wat moeten we daar dan nog meer over zeggen of schrijven?

Advertenties

Levensbedreigende fouten: d, t of dt?

‘Op dt-fouten staat iets wat neigt naar de doodstraf.’ Dat is een van de richtlijnen bij een recente redactieopdracht.

Ik herken het gevoel wel. Nog steeds stokt mijn adem heel even als ik er ergens één bespeur. Gisteren nog, op het LinkedIndiscussieforum van Onze  Taal dan nog wel.

Al surfend stokt mijn adem wel vaker, maar reageren doe ik zelden op het internet. De context is daar vaak wat informeler en dan stoort het met niet zo.

Maar ik zie ze natuurlijk wel: ‘Oh!’

Op informatieve websites en in drukwerk vind ik het slordig, en ik hou nogal van kwaliteit. Dan noteer ik dus gegarandeerd inwendig: ‘Min één!’

Maar de doodstraf, nu ja. Wel heb ik heel lang niet begrepen hoe het mogelijk is, dat zoveel mensen problemen hebben met de vervoeging van (zwakke) werkwoorden. Als er nu één consequente en heldere spellingregel is, dan is het die wel.

Dt-fouten zijn onvermijdelijk

Intussen las ik dat ons geheugen ons parten speelt, meer bepaald ons woordgeheugen. Dat schotelt ons, terwijl we schrijven, automatisch de meest voorkomende vorm van een woord voor. Mij doet het een beetje denken aan de suggesties van een spellingchecker of van Google. Die zijn ook niet altijd even betrouwbaar.

Reviseer

“Maar de rol van het woordgeheugen mag geen excuus zijn om spellingregels systematisch te negeren. Een verklaring is geen vrijgeleide”, betoogde professor Dominiek Sandra, die het fenomeen onderzocht, in Klasse. Revisie is volgens hem het wapen tegen ons woordgeheugen. En ook al spel ikzelf voor de sport, ik kan hem geen ongelijk geven.

Het zinkende kofschip

Ik denk dat revisie ook wel een beetje kan helpen tegen ‘Het zinkende kofschip’. Onder die alarmerende titel praatte linguïst Mirjam Ernestus op de radio over haar onderzoek naar de (verkeerde) keuze van d of t in de verleden tijd en bij het voltooid deelwoord.

Volgens haar druist het ezelsbruggetje ’t kofschip in tegen ons taalgevoel. We schrijven (naar) wat we horen. ‘Ik krab’ klinkt als  ‘ik krap’, en de p zit in ’t kofschip, vandaar: ‘ik heb gekrabt’. Een oplossing ziet ze niet meteen. Ik vind het allemaal nogal zorgelijk klinken.

Als u een tekst reviseert, ziet u die b in ‘krab’ toch staan? Welaan dan!

Als u de regels nog eens wilt herhalen of oefenen voor u aan het reviseren slaat, kunt op deze sites terecht:

http://www.dtkompas.nl/

http://www.jufmelis.nl/

Langewoordenfobie

  • Humanresourcesmanagement
  • Langetermijnplanning
  • Warmwaterkraan

Ja hoor, dat schrijven we allemaal gewoon aan elkaar. Of liever: ik schrijf dat allemaal aan elkaar. Of u dat ook doet, durf ik wel eens te betwijfelen.

Ik moet woorden als deze namelijk nogal vaak verbeteren. En die correcties achteraf soms zelfs verantwoorden. Vooral ‘humanresourcesmanagement’ leidt wel eens tot discussie, want ‘human resources’ schrijven we wel van elkaar. Net zoals ‘lange termijn’ en ‘warm water’ trouwens. Maar dat zijn dan ook geen samenstellingen. In deze voorbeelden is het eerste woord een bijvoeglijk naamwoord bij het zelfstandig naamwoord.

Samenstellingen horen aan elkaar

De woorden bij het begin zijn samengestelde zelfstandige naamwoorden en die schrijven we in het Nederlands aan elkaar. Bedenk dat er geen maximaal toegestane lengte voor woorden is, dus laat u gerust gaan!

U mag wel een streepje gebruiken omwille van de duidelijkheid, maar in principe is dat niet nodig. Spaties zijn echter uit den boze.

Uitzondering: samenstellingen met eigennaam

De enige uitzondering op die regel, zijn samenstellingen met een eigennaam, zoals ‘Rode Kruispost’ en ‘Koen Wautersfan’. In die gevallen mag u ook nog een streepje gebruiken om het einde van de eigennaam aan te geven. Hier doe ik dat ook sneller. ‘Rode Kruis-post’ en ‘Koen Wauters-fan’ vind ik toch duidelijker. Maar met een viersterrenhotel heb ik geen enkele moeite.

Volg de Duitsers

Een raad voor wie wat van vreemde talen kent: spiegel u aan het Duits als het op samenstellingen aankomt, en vooral niet aan het Engels. Het Duits kent heel lange woorden en schrijft die aan elkaar of met een streepje. Het Engels daarentegen, maakt nogal wat samenstellingen door de leden los naast elkaar te plaatsen en is dus een slechte leermeester. Wie zich aan het Engels spiegelt – en dat lijken tegenwoordig nogal wat mensen te doen – gaat gekke dingen schrijven, zoals ‘bekendmakings bericht’, ‘oude wijvenkoek’, ‘naakt modeltekenen’ en ‘scheidrechters te kort’.

Signalering Onjuist Spatiegebruik

Aan deze taalzonde is zelf een website gewijd: SOS – Signalering Onjuist Spatiegebruik. Naast tal van amusante voorbeelden en links vindt u er ook nog eens de regels voor samenstellingen. Een ideale start om uw leven te beteren, mocht dat nodig zijn.

Nederlands of Engels?

Is de Woordenlijst Onnodig Engels van de stichting Nederlands nuttig of vermakelijk? De lijst biedt veel goede Nederlandse alternatieven voor (te) veel gebruikte Engelse woorden. Maar evengoed vind ik er een pak vertalingen die op mijn lachspieren werken. Alle taalhygiëne en taalcreativiteit op een stokje, in zakelijke teksten blijf ik liever pragmatisch.

Wie schrijft voor de ict-sector en voor de zakelijke markt, raakt er snel van overtuigd: we moeten alert zijn voor overmatig gebruik van Engelse woorden. Om het Engelse vakjargon van ict-specialisten uit ons eigen taalgebied te ontsluiten voor een ruimer publiek, zijn vertalen en verklaren vaak een must. (Betrapt! Ik bedoel natuurlijk: noodzakelijk.) 

Welles-nietes

Ik ben geërgerd als een Nederlandstalig programma vraagt om mijn ‘login’ en ‘password’ – of erger: ‘paswoord’. Wat is er mis met ‘gebruikersnaam’ en ‘wachtwoord’? Er zijn al zoveel moeilijker te vertalen termen. Laten we die eenvoudige woorden dan maar consequent gebruiken. Daar staat tegenover dat ik de kriebels krijg van het woord ‘webstek’.  De pragmaticus in mij kiest resoluut voor ‘website’ en zelfs ‘site’ – en velen met mij, zo heb ik de indruk. En ik controleer ook nooit mijn netpost of mijn e-post, enkel mijn e-mail.

De pet van de taalpurist

Ook de terminologie van de bedrijfsvoering  (Ik schreef bijna: managementterminologie.) vervalt vaak in modieus Engels. Teksten van leidinggevenden (Of vindt u ‘managers’ duidelijker?) winnen wel eens aan helderheid en beknoptheid als  u ze herwerkt met de pet van de taalpurist op.

Uw publiek heeft altijd gelijk

Toch denk ik twee keer na voor ik naar mijn taalpuristenpet grijp. Als ik achter het toetsenbord plaatsneem, blijft de eerste en belangrijkste vraag: “Voor wie schrijf ik?” Als jongeren zoveel downloaden, dan lok ik ze allicht niet naar uw site door consequent te  schrijven: “Haal hier het filmpje binnen!” En als leidinggevenden zoeken naar managementopleidingen, is de kans klein dat uw website in hun zoekresultaten verschijnt als u enkel ‘opleidingen voor leidinggevenden’ aanbiedt.  Zeker op het internet geldt de gouden regel: “Spreek de taal van uw publiek.”

Hoe na het Nederlands ons ook aan het hart ligt, in de praktijk scoort u ongetwijfeld aardig wat hits met een link als:

Topless cheerleader showt hotpants op catwalk  na blowtje

Ik garandeer u een pak minder treffers met de koppeling:

Voorjuichster zonder bovenstukje toont xiebille op paradepad na wiethijs